Het Gentse volkslied in het Ottenstadion

Dank zij een bevriende abonnee ga ik af en toe kijken naar thuiswedstrijden van AA Gent. Het doet me altijd plezier als de supporters hun gezangen aanheffen: het is wellicht de laatste plaats waar het volkslied overleeft. Helaas wordt het gezang dikwijls overstemd of bij aanvang al ontmoedigd door de harde poprock die uit de boxen knalt. Er gaat niks boven spontaan ingezette supportersgezangen. De sfeerverantwoordelijken zijn het blijkbaar niet met me eens. Tijdens de opwarming, de rust en na het laatste fluitsignaal knalt de installatie elk volkslied uit de tribunes.

Gelukkig is er nog de wedstrijd zelf. Daarin bestrijken de Buffalo’s het volledige repertoire, en het moet gezegd worden, dat is niet min. Het mooiste van al is zonder enige twijfel ’t Vliegerke van Walter De Buck. Opgenomen en uitgebracht in 1971, daarna verschenen in tal van studentencodexen en zangboeken, en liefderijk omarmd door de Gentse supporters. Wonderlijk dat dit lied pas 40 jaar oud is. Het klinkt als een oud volksliedje.

https://www.youtube.com/watch?v=ik-WaNJ5rv4

Het officiële clublied is de Buffalo-mars. Ook dat is gezongen in het Gents dialect, waarvan ik me soms afvraag of het jonge volkje in de spionkop het nog beheerst. In elk geval wordt A.R.A.G luid gebruld, op een agressieve toon die doet denken aan de haka’s van polynesische rugby-ploegen.

Het lied werd blijkbaar in 1948 gecomponeerd door Charles Schollaert en onlangs opgeraapt, door Gert & The Commets. De versie die je hier hoort klinkt alsof ze toch al een tijd geleden is opgenomen en is vermoedelijk van ene Ferry Hill, die de Buffalo March in 1977 al eens op plaat zette.

A.R.A.G. staat voor Association Royale Athlétique de la Gantoise. Dat werd rond 1971 vervlaamst naar AA Gent, een naam waarmee de supporters zich maar langzaam hebben verzoend. Gent heeft altijd een franskiljonse geest gehad, met dito dialect en tongval, en “De Gantoise” bekte lekkerder dan het propere AA Gent. Er bestaat een carnavalesk lied dat beide namen combineert, door het refrein “Gantoise” aan te vullen met de aanmoedigingskreten “Buffalo Buffalo A-A-Gent”.

Dat lied dateert uit 1979 en is een productie van Gus Roan van Nie Neute, en Mark Malyster. De tekst en de zang zijn van Luc Soens, zodat ik me dan wel afvraag wat Mark en Gus nog hebben bijgedragen. Het lied zit ook raar in mekaar. In muziektheoretische termen, wanneer de dominant oplost in het grondakkoord, verwacht je dat het thema opnieuw begint. Maar het is al begonnen in de oplossing zelf. Je krijgt daardoor het gevoel dat dit nummer zichzelf voorbij holt. Maar goed, het is zeker aanstekelijk, al hoor ik niet dikwijls op de tribunes, behalve de strijdkreet natuurlijk.

In de jaren 90 vond Kurt Burgelman van Biezebaaze dat het moderne publiek een rocksong nodig had. De groep maakte het stevige Nen echte genteneire ’n es nen Buffalo. Het heeft alles wat een goed clublied moet hebben. Het refrein bevat een primitieve o-o-o-kreet die duidelijk mikt op het meezingen. De tekst gaat over hét thema dat de Gentse supporter de voorbije decennia bezig hield: de rivaliteit met Club Brugge en de vaandelvlucht van vele Gentenaars, die voor andere clubs gingen supporteren toen de Gantoise in verval raakte.

Burgelman werd voor zijn diensten beloond door een job naast vaste stadionomroeper, Radio Buffalo- en Tele Buffalo-presentator Frans Babbelaar, vermoedelijk om hem op termijn te vervangen. Frans is namelijk zwaar ziek en stoomt alvast zijn opvolger klaar. Dat klinkt morbider dan ik wil: ik heb altijd met veel sympathie geluisterd naar Babbelaar en hoop dat hij het nog lang mag volhouden.

Een jaar geleden kreeg Sioen van de club de opdracht een hymne te componeren. Volgens de club ontbrak het de supporters aan een échte hymne, zoals You’ll never walk alone. Dat zal Burgelman toch wat in het verkeerde keelgat geschoten zijn, denk ik. Maar ik begrijp waar het vandaan komt. Alle bovenstaande liedjes hebben een tekst in het Gentse dialect. AA Gent wil zich onder het bewind van De Witte en Louwagie profileren als een provincieclub of zelfs een met nationale uitstraling, zoals Anderlecht, Standard en Club Brugge. De sportieve successen zijn er, de budgettaire verhoging ook, het nieuwe stadion komt er (ooit), maar om dat te doen vollopen heb je niet alleen een ploeg nodig maar ook een hinterland. Ik vermoed dat het bestuur ook in het departement sfeer van onder de kerktoren wil wegraken en daarom die opdracht gaf.

Nu heb ik niet zo’n hoge pet op van Sioen, zeker niet tekstueel, en het verraste me dan ook niet dat hij met Come on een tamelijk platte compositie schreef met zijn gebruikelijke tiener-Engels er bovenop. De ontvangst bij de supporters was lauw: andermans poëzie-album meebrullen is niet erg aanlokkelijk. Bovendien maak je een hymne die door duizenden moet worden gezongen nu eenmaal niet op bestelling. “You’ll never walk alone” is een unicum, een anomalie bijna. Het initiatief was bij voorbaat kansloos, zodat Sioens klaaglijke, benepen stemgeluid en het ad nauseam geneuriede na-na-na in de outtro, de prille dood van dit clublied enkel versnelden.

In de arena van de sport geldt de survival of the fittest. AA Gent zal ook dit jaar meespelen voor de prijzen. Het zal daarbij nog altijd aangevuurd worden met de Gentse liederen, die hun deugdelijkheid hebben bewezen. A.R.A.G. !

3 gedachten over “Het Gentse volkslied in het Ottenstadion

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *