Het Halewijnlied à la Rum

De helft van Stanza was de voorbije week druk in de weer met het bijwonen van concerten. Vrijdag naar CC Nova in Wetteren, om vriend Wim Toucour al voor de derde keer aan het werk te zien en het nimmer beu te worden; zaterdag naar CC Belgica in Dendermonde, waar 2/3 Rum aangevuld met 1 schijfje Hauman en 1 geut Jokke Schreurs een cocktail bracht van paneuropese folk, zigeunermuziek en oude Vlaamse liedjes; en tenslotte de vinger aan de pols van de moderne pop, maandag in de AB Club, bij de jongens van Everything Everything, die instrumentbeheersing en kennis van muziektheorie degraderen tot basisbenodigdheden, waarmee ze vernuftige popmuziek maken die me nog het meest doet denken aan King Crimson, op “Three of a perfect pair“.

Omdat Britpop niet tot de scope behoort van deze blog en Wim nu wel genoeg aandacht gekregen heeft, vestigen we onze blik op RUM, die eerder al aan bod kwamen in het hoofdstukje over Madou. Ik keek enorm uit naar dit optreden, omdat ik voor het eerst Wiet van de Leest in levende lijve zou zien. Iemand die hypertraditionele folk maakt à la Rum om dan over te schakelen op melancholische poprock met Madou, ligt me heel nauw aan het muzikale hart.

Van de Leest liet zich in mijn zoektocht op Internet het minst gemakkelijk kennen van alle Rummers. Dirk Van Esbroeck zaliger heeft een noemenswaardig solo-repertoire uitgebouwd, en Paul Rans was zowiezo het gezicht van de groep, en ook een bekende figuur in folkmiddens. Toen het viertal dat het Rumrepertoire in leven houdt als à la Rum, het podium betrad, had ik toch enkele seconden nodig. Rans, Hauman en Schreurs lopen erbij zoals je dat van folkies of zigeuners mag verwachten. De ene een weelderige haardos en dito baard, de andere het kalen opvangend met een paardestaart, de derde met een flinke knevel die instant toelating had betekend bij de bende van Jan de Lichte. Wiet van de Leest moest dus die keurige heer zijn die je zo in het middenkader van een grote bank situeerde. De virtuositeit en het speelplezier dat zou volgen, stond in flink contrast met de burgerlijke uitdossing.

Aan het einde van dit fantastische concert, werd het mij droef te moede. Dit repertoire ligt op sterven. Kadril lijkt immers ook al uitgezongen en Laïs zoekt het steeds verder weg van het Vlaamse volkslied. Beiden hebben alle recht om te doen wat ze moeten doen, maar zo blijft enkel Rum zelf nog over om op de oude dag het oude volkslied te laten leven. Wat moet er worden van Heer Halewijn, Schoon lief, Het daghet in het Oosten en Rosa, laat staan van de kinderliedjes met reuzen en poezeminnekes? Misschien vinden ze nog net asiel bij Kapitein Winnokio.

Nu beperkten de heren zich allerminst tot de liedboeken van Jan-Frans Willems, Edmond De Coussemaeker of Florimond Van Duyse (mijn favoriet). Jokke Schreurs kreeg ruim de gelegenheid om samen met Wiet te excelleren in allerlei mengvormen van zigeunermuziek en folk, en hier en daar kon er zelfs een zijsprong naar de Close Harmony af. Het bewees in elk geval dat culturele centra voor hun programmatie kunnen putten uit grootmeesters in de muziek, zoals deze, en dat je al van flinken huize moet komen om dergelijke virtuoziteit naar het achterplan te verwijzen. Over relevantie maken deze muzikanten zich hoegenaamd geen zorgen: ze zijn de muziek die ze spelen, en ze zijn het als een van de enigen.

Thuisgekomen mijmerden we nog wat na over het Halewijnlied, dat zich in de professionele sfeer bevindt van mijn gezellin. Ik boorde naar de archetypische kernen van deze mythe, naar de lering van Joseph Campbell. Met een lichte schok stelde ik vast dat deze parabel in wezen gaat over zelfontplooiing en belangrijke keuzes in een mensenleven. Sommigen onder ons zijn avontuurlijk ingesteld en hebben een drang om hoger goed te ambiëren, waaraan een risico verbonden is. De voorzichtiger naturen onder die avonturiers polsen toch eerst eens bij ouders, broers, zussen en vrienden, of het wel verstandig is om, bijvoorbeeld, een veilige job op te geven voor een muzikantenbestaan – ik zeg maar wat. De reactie van de omgeving is even voorspelbaar als begrijpelijk: zij behoeden de avonturier voor het onheil. Het gezond verstand zegt namelijk dat de kans op onheil veel groter is dan die op triomf.

Voor de meeste avonturiers, moedige zelfontplooiers, of roekeloze ambitieuzelingen, eindigt het verhaal dan ook in mineur. Het Halewijnlied laat echter een zeldzame schijn van glorie gloren: de jonge maagd keert terug met het hoofd van Halewijn. Iedereen viert de triomf en is de waarschuwing al lang vergeten.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *