Zot van de Strangers

Moet men nu juist wel of net niet door de neus spreken wanneer men het Antwerps dialect imiteert? Dit was het prangende vraagstuk waarover onze familie zich boog op het recentste trouwfeest van een nicht – het was haar eerste keer, mocht men vorige woordgroep in trouwlustige zin interpreteren. Het moet namelijk niet altijd over Bart De Wever gaan of over SV Zulte-Waregem-Beerschot als het fiere Antuerpia onder de aandacht komt. Een simpel woord en wederwoord over de kant waarlangs de tong valt en de balans inzake nasaliteit kan een hele avond boeien.

De aanleiding betrof een lied, het zal de lezer van deze blog niet verwonderen, met name “Zot van aa” van de Strangers. We zochten het origineel en hadden daar een hele kluif aan, want in de vermeende sferen van het Franse chanson gaven Shazam en Soundhound niet thuis. Het hielp ook niet dat we al neuriënd verstrikt raakten in “Le Méteque” van de zopas overleden George Moustaki, want dat was het zeker niet maar heeft wel een stevig oorwurmgehalte. Ook over “Het dorp” van Wim Sonneveld waren we het roerend eens: niet de gezochte deun, maar het leek erop en het refrein riep op tot samenzang. Bovendien wisten wij in Sonnevelds melancholie al evenzeer een Franse oorsprong. Die dekselse Fransen met hun melodische inteelt!

De Odyssee naar verre liedjesvelden werd danig bemoeilijkt door de DJ. Hij had een knop verworven die hem in staat stelde het tempo van de hits te wijzigen, zodat ze naadloos in mekaar konden overlopen. Dit leidde er echter toe dat Carly Rae Jepsen klonk als Smurfin. Onze ontstemming over die kwestie – ook Carly Rae Jepsen heeft rechten! – leidde de aandacht af van het etnomusicologisch onderzoek dat wij vastberaden voerden op de mooiste dag van ons nicht haar leven.

De nonkel die ’s anderendaags het vroegst wakker was, heeft het pleit beslecht en meteen zes youtube-filmpjes aangevoerd, om de rest van het forum de lust te ontnemen nog iets interessants aan het debat toe te voegen. Spijts nonkels overvloedigheid, hierboven gerecupereerd, profiteer ik van de gelegenheid om De Strangers te rehabiliteren.

De Strangers kennen mensen van mijn generatie vooral van kermisnummers als “Bij de rijkswacht”, “Schele Vanderlinden” of “Mijne Blauwe Geschelpte”, persiflages die de tand des tijds vrijwel meteen na de conceptie niet meer doorstonden maar die wel treiterig tot in de eeuwigheid aan de reputatie knagen. Ik nam ze in elk geval geen seconde serieus als tiener, die zich door de TTT-pagina’s van Humo liet leiden en nog lang niet groef naar de wortels en uitsteeksels van de Grote Muziekboom.

In 1992 werd hun frivool gescherts van een flinke wanklank voorzien, toen ze optraden voor het Vlaams Blok en bij die gelegenheid “De Ziekenkas” en “De Gastarbeider” (een herwerking van Le Méteque!) speelden. In het schisma tussen misbegrepen autochtonen en scheef bekeken allochtonen, dat in Antwerpse stemhokjes sterk tot uiting kwam, raakten de Strangers nooit meer echt verlost van het fascistisch stempel. De geschiedenis boekstaaft ze dus als fout in alle opzichten en dit is in minstens enkele opzichten erg onrechtvaardig.

Om te beginnen is “De gastarbeider” hoegenaamd geen aanklacht tegen de allochtoon. Ja, het eindigt met een vrijwillige terugkeer maar dat komt dan vooral vanuit het inlevingsvermogen van de zanger in de heimwee die een Zuiderling in dit grijze land moet voelen. De thematiek en teneur is precies dezelfde als in Wim Toucours persiflage van “Het dorp” en Wim kunnen we toch niet van extreemrechtse sympathieën verdenken.

Ten tweede zullen weinig tekstschrijvers zo royaal gebruik gemaakt hebben van het Antwerps dialect om gestalte te geven aan dagelijkse overpeinzingen in liedvorm. Een rijmsliert als “famille, schille’, wille‘” dient zich niet in elke streektaal aan. De concurrentie is nochtans niet min, met de al even verguisde en onderschatte Katastroof, de eerder diep in de ziel gravende Wannes Vande Velde en de recente epigoon van grootstedelijk ongein Clément Peerens.

Het nasale (vond de meerderheid) en platvloerse gezang mag verder niet doen vergeten dat we hier met een stel uitstekende vocalisten te maken hebben, die zich in de persiflage vrijwel elke stijl eigen maakten, mit ademstütz. Ten slotte waren de Strangers geëngageerd. Ze hielden van hun stad, hun taal, hun cultuur, hun vrouwen, hét volk en waren daarin uiterst strijdbaar. Die strijdbaarheid heeft hen via de vlottende tijdsgeest in een lastig parket gebracht. Het giftigst reageerden de Strangers op Jacques Brel zijn “Les Flamingants”. Hun gekrenkte trots als Vlaming doet hen nog zo pijn omdat ze Brel eigenlijk bewonderden als zanger en liedjessmid, getuige hun getrouwe vertaling van “De Bourgeois”.

In mijn zoektocht naar geschikte liedjes van de Strangers moet ik wel toegeven dat ze de plank soms behoorlijk missloegen. “Ge moet u moeien mè Zuid-Afrika, ge stekt oewe neus in iender wa” steekt de draak met de kritiek op het apartheidsregime, die in de jaren 80 aanzwol. Daarop terugblikkend is het moeilijk hun kwalijke reputatie inzake rassenkwesties niet bevestigd te zien. Ook “de ziekenkas” bevat ondanks zijn pijnlijke kern van waarheid vooral pijnlijk weinig humor. Ik kan me dus wel voorstellen dat “Allah is groet, mor ziekekas is groeter” op het VB-congres op Homerisch gelach onthaald werd.

Toch wil ik hen niet vastpinnen op die occasionele uitschuiver. Het zou zonde zijn om hun even bijtende cynisme te vergeten waarmee ze een initiatief als ’t jaar van ’t kind bespotten, of de sereniteit waarmee Alex Boeye het verdriet van een scheiding beschrijft in het reeds vermelde Zot van aa.

Vóór alles blijven de Strangers de meesters van de persiflage, het tijdsgebonden spotlied en de muzikale guitenstreek. Ik heb er door mijn eigen inspanningen als tekstschrijver en mijn evolutie naar cabareteske actuele scherts veel sympathie voor gekregen. Veur de Strangers, Eup-eup-eup! Eureu! Eup-eup-eup! Eureu! Eup-eup-eup! Eureu!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *