Mahler

Sinds enkele jaren ben ik zot van Mahler. Ik heb al zijn werk gekocht, zowel op mp3 als op vinyl, en ik probeer elk concert in België mee te pikken. De bron van die zotheid is mijn vader, die zich eens liet ontvallen dat Mahler zijn favoriete componist is. Ik was nieuwsgierig en impulsief. De rest is een geschiedenis die nog altijd voortduurt, crescendo zelfs. Ironisch genoeg beweert mijn vader nu dat Stravinsky zijn favoriete componist is. Ja zeg, ik heb maar één leven!

Hoewel mijn ontdekkingstocht dus nog lang niet ten einde is, heb ik toch een idee over hoe een leek het best het immense repertoire van Mahler benadert. Met “immens” bedoel ik niet alleen de hoeveelheid maar ook de complexiteit die erin schuilgaat. Behalve voor geoefende oren in de klassieke muziek, denk ik dat de meeste symfonieën van Mahler zich pas na enkele luisterbeurten volledig ontvouwen, in melodisch, ritmisch en soms ook lyrisch opzicht. Het was bij mij alvast het geval.

Zelf ben ik namelijk allerminst gepokt of gemazeld in het klassieke spectrum: ik ben groot geworden met poprock, heb me verdiept in de bloeiperiode van het begin der jaren 70 en heb folk en jazz verkend, ook actief als zanger en liedjesschrijver. De enige klassieke componist die ik vaak heb beluisterd is Bach. Die is tamelijk toegankelijk voor de leek. De gepopulariseerde deuntjes van Mozart en Beethoven ken ik natuurlijk ook, maar die hebben me nooit vermurwd om het complexe werk van die allergrootsten echt te leren kennen. Die taak heb ik me wél gesteld bij Mahler, omwille van mijn vader, en gaandeweg ook omdat de inspanningen iets opleverden. Dat “iets” is een muzikale ervaring die ik met niets anders kan vergelijken. Mijn verkenning van Mahler is tegelijk een inleiding in de structuur van een symfonie, de functies van de instrumenten en de zin of onzin van interpretatie door een orkest. Ik vermoed dus dat mijn inzicht in het repertoire van Mahler vooral nuttig kan zijn voor andere leken in klassieke muziek.

Mahler heeft officieel 9 symfonieën afgewerkt en één onvoltooid gelaten. In werkelijkheid is Das Lied von der Erde, dat enkel uit bijgeloof geen volgnummer heeft gekregen, zijn 9de symfonie. Behalve die 11 symfonieën zijn er nog 5 cycli van orkestliederen.

De meest voor de hand liggende volgorde om dat werk te beluisteren is die waarin Mahler ze gecomponeerd heeft. Dat levert echter enkele problemen op: de volgorde van compositie is niet altijd dezelfde als die waarin de liederen of “bewegingen” zijn samengesteld tot één symfonie. De symfonieën vertonen bovendien een onderling verband, dat verstoord zou worden door de liederencycli er tussenin te gooien. Ten slotte is de eerste symfonie weliswaar toegankelijk maar zijn er andere onderdelen van latere symfonieën die de leek nog meer zullen bekoren. Dat denk ik toch.

Ik zou beginnen met “Das himmlische leben”, de vierde en laatste beweging van de vierde symfonie. Daarna zou ik de vierde symfonie in zijn geheel beluisteren. Vervolgens de derde. En tot slot de eerste vier in chronologische volgorde. De meeste Mahleristen zijn het erover eens dat die vier een muzikale en thematische samenhang vertonen waarvan de vijfde duidelijk afwijkt. Na die vier symfonieën heeft het zin om de eerste twee liederencycli te nemen: Lied eines fahrenden Gesellen en Lieder von das Knaben Wunderhorn.

Das Himmlische Leben is een prachtig lied dat een voorspelling in zich draagt van wat Mahlers oeuvre te bieden heeft, terwijl het toch erg toegankelijk is. Het behoort lyrisch tot de verhalenbundel “Das Knaben Wunderhorn”. Of Mahler het door een jongenssopraan wilde laten zingen, wordt sterk betwijfeld, maar nadat ik verschillende versies heb gehoord waarin volwassen vrouwen de partij voor hun rekening namen, verkies ik de versie met jongenssopraan Helmut Wittek, onder leiding van Leonard Bernstein. Ten eerste is het een ongelooflijke prestatie van de dan 14-jarige Wittek om dat lied zo krachtig en vrijwel foutloos te brengen, bovendien zingt hij zonder het vibrato waarmee sopranen doorgaans hun stem kracht geven, wat op de klassieke leek een bombastisch effect teweeg brengt. Het belangrijkste is echter dat de pure jongensstem het contrast verhoogt tussen de overwegende onschuld van de gezongen delen en de licht onheilspellende motieven van het orkest. Dit is namelijk de centrale thematiek in het werk van Mahler: we zouden wel vrolijk tegen het leven willen aankijken, maar dood, drama en weemoed liggen op de loer. Moeten we al niet vrezen voor onze eigen sterfdag, dan wel voor het verlies van anderen, of het onheil dat de mens in zichzelf aanricht.

(in de commentaren bij dit fragment op youtube staan er een paar die nogal dubieus zijn, om nog te zwijgen van nicknames als “boysopranlover2”)

In andere werken, zoals bijvoorbeeld de zesde, overweegt de wanhoop. Hoewel dit uiteindelijk wel de grootste aantrekkingschracht is van Mahler op de volhardende liefhebber, denk ik dat het voor de nieuwkomer beter is eerst kennis te nemen van een lied dat nog voornamelijk baadt in onschuld. De dreiging is al onmiskenbaar aanwezig, toch voor wie ze horen wil, maar nog niet zo dominant. Verder is de ganse vierde symfonie lichtvoetiger, althans aan de oppervlakte, dan de andere. Ze is ook de kortste en heeft een duidelijke structuur van vier delen die mekaar in evenwicht houden. Het eerste deel herbergt een vat aan muzikale ideeën die al verwijzen naar Das Himmlische Leben. Daarna komt een spookachtig scherzo, dat voor mij het beste voorbeeld is van “humor” zoals die in klassieke muziek beoefend wordt. Met standup comedy heeft het niks te maken maar er is iets onmiskenbaar grappigs aan de vioolpartij, op een viool die een toon hoger gestemd staat. Dat zorgt echter ook voor een onbestemde spanning en inderdaad, dit “personage” kreeg van Mahler de naam “Freund Hein”. Magere Hein als vriend … wie heeft dan nog vijanden nodig? Na het Scherzo volgt een weemoedig adagio, waaraan het ook in zijn andere symfonieën niet ontbreekt. Dit lost ten slotte op in Das Himmlische Lied, dat tegenover het adagio erg heftig overkomt, hoewel het lang niet zo’n drama in zich draagt als vele bewegingen in zijn andere symfonieën.

Muzikaal was Das Himmlische Leben eerst bedoeld als eindpunt van de derde symfonie, maar die ontwikkelde zich zo heftig dat Mahler dat niet meer passend vond. Eenmaal men dus de vierde een paar keer heeft doorgenomen, is het een goed idee het lied nog eens te beluisteren en dan de derde te spelen. Die symfonie is een stuk krachtiger, complexer en vooral langer. Het is mogelijk dat hier een eerste vermoeidheid optreedt. Als dat het geval is, dan stel ik twee alternatieven voor: wie meer hield van het lied in symfonie 4, die schakelt eerst over naar de ganse cyclus Des Knaben Wunderhorn; wie meer hield van de instrumentale Mahler, die kan aan de slag met de tweede symfonie. Die is weliswaar erg donker van aard, maar begint ritmisch en melodisch zeer toegankelijk.

Waarom moet men eerder niet beginnen met de eerste symfonie? Ik meen dat Mahler daar nog een beetje naar zichzelf op zoek was.  Er bestaan theorieën dat dit een vorm van muzikale kritiek betrof op Brahms en een voortzetting van Beethoven. Mahler heeft ook een deel geschrapt op aanraden van zijn vrouw Alma. Anderzijds zorgt de duidelijke verwijzing naar “Broeder Jacob” in het derde deel voor een flinke brok herkenning bij de leek. Toch zal de eerste symfonie volgens mij beter tot zijn recht komen als men weet waar Mahler eigenlijk naartoe wil: in de vierde symfonie en vooral in “Das Himmlische Leben” lijkt hij te willen spreken tot de knaap Mahler “ziehier wat ik nu weet”.

Als de leek eenmaal zo ver is geraakt, is hij niet meer leek dan ik nu ben. Dan kan men vrijelijk het repertoire verder verkennen. De vijfde die zo krachtig breekt met de eerste vier symfonieën terwijl die toch het lieflijkste stuk muziek bevat dat Mahler ooit schreef: het adagio opgedragen aan Alma. De getormenteerde zesde, de complexe, bijna avant-gardistische zevende, de bombastische achtste die zodanig door het koor wordt gedomineerd dat ik ze nog niet gans heb doorworsteld, das Lied von der Erde en de (uitgestelde) negende, die terugkeert naar de balans van nummers 3 en 6, met de intussen opgedane ervaringen in 7 en 8 achter de hand, volgens de meeste Mahleristen het logische meesterwerk. Voeg daar de onafgewerkte 10de aan toe en de Kindertotenlieder en men is daar een leven lang zoet, zuur en bitter mee.

Hieronder een fantastisch in beeld gebrachte uitvoering van de ganse vierde, door Claudio Abbado en het orkest van Luzern.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *